n mijn rol al gedragsspecialist begeleid ik docenten, teams en management in het omgaan met leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. Ik krijg natuurlijk van alles op mijn pad, maar eigenlijk komen de meeste vragen op het volgende neer:
Hoe motiveer ik mijn leerlingen om datgene te leren wat ik belangrijk voor hem of haar acht?
Vanuit het onderwijs kennen we natuurlijk Stevens met adaptief onderwijs, wat m.i. een uitwerking de self determination theory Deci en Ryan in een schoolse omgeving is. Skinner met zijn condtioneringstheorieen heeft ook nog al wat invloed in onderwijsland.
Ook in het bedrijfsleven word aandacht gegeven aan motivatie. Er is een hoop over te vinden, waar we ons voordeel mee kunnen doen.
zie http://www.gertjanschop.com/praktijkcaseveranderen/2.1.4.-motivatietheorieen.html (Zie ook einde dit bericht)
Sommig theorieën zijn niet zo geschikt voor onze schoolse omgeving. Andere theorieën juist weer wel. Overigens denk ik dat het bedrijfsleven heel erg veel van scholen kan leren wanneer het om motivatie gaat. We zijn namelijk in staat om ZONDER geld als directe beloning leerlingen ( zijn toch echt net mensen ) aan het werk te krijgen en te houden.
Schiet mij altijd weer door het hoofd als weer een topbankier roept dat hij echt en bonuscultuur in stand moet houden om mensen te lokken en te houden. Heel wat te leren nog zo'n man of vrouw, denk ik dan. :)
---------------------------------------------------------------------
2.1.4. Motivatietheorieën
1. Overeenkomsten en verschillen
Overeenkomsten
De literatuur kent een breed spectrum aan motivatietheorieën.
Alle motivatietheorieën kennen een aantal overeenkomsten:
Bij motivatie gaat het altijd om de combinatie van krachten/prikkels in de persoon zelf en de krachten/prikkels in de omgeving.
Kenmerkend is dat mensen zich richten op het bereiken van gewenste opbrengsten en dat ze onplezierige gevolgen proberen te vermijden.
Gedrag vindt niet zomaar plaats, mensen nemen over hun gedrag geregeld beslissingen.
Tussen gewenste opbrengsten, dus zaken die mensen waardevol achten, en het getoonde gedrag van mensen zijn min of meer logische gedragingen vast te stellen.
Omdat mensen hun uitgangssituatie soms verkeerd beoordelen is de waarneembare relatie tussen gedrag en gewaardeerde opbrengsten wel eens onbegrijpelijk.
Gewaardeerde opbrengsten kunnen zowel intrinsiek als extrinsiek van karakter zijn.
Onderscheid
Motivatietheorieën kunnen we in zes hoofdstromen (‘motivatiedenkscholen’) onderscheiden:
· oerdenkers;
· ordeningsdenkers;
· eigenschapdenkers;
· procesdenkers;
· gedragsdenkers;
· taakdenkers.
2. Oerdenkers
Henri Fayol en Max Weber hebben de stroming bureaucratie nader vormgegeven waarin vooral tussen de regels door een motivatiebeeld werd opgeroepen, gekenmerkt door het begrip ‘duidelijkheid’. Duidelijkheid in de uit te oefenen rollen, in de positie in de hiërarchie, en de wijze waarop gezag wordt uitgeoefend.
3. Ordeningsdenkers
Exponenten van het ordeningsdenken zijn McGregor, Maslow en Herzberg.
X- en Y-theorie van McGregor
In de jaren veertig kreeg McGregor met zijn X- en Y-theorie steeds meer gehoor. McGregor pleitte voor het toepassen van de Y-theorie.
De X-theorie:
· de meeste mensen hebben in principe een hekel aan werken;
· zij moeten daarom worden gecontroleerd en gedwongen worden om mee te werken aan het bereiken van de doelstellingen van de organisatie;
· de meeste mensen willen geleid worden, hebben weinig ambities of wensen geen grotere verantwoordelijkheid.
De Y-theorie:
· werken en geestelijke inspanningen zijn net zo natuurlijk als spelen;
· de mensen zullen zichzelf leiden en zichzelf controleren als zij zich betrokken voelen bij de doelstellingen van de organisatie;
· deze betrokkenheid is een gevolg van een verscheidenheid van beloningen die met het werken verband houden;
· het individu zal in deze sfeer zelf grotere verantwoordelijkheid zoeken;
· de meeste mensen hebben een opmerkelijk potentieel voor vernieuwing in zich, maar dit potentieel wordt weinig aangeboord.
Behoeftenpiamide van Maslow
Eind jaren veertig publiceerde Maslow zijn beroemde theory of human behaviour. Ieder mens is een behoeftevullend wezen. In de kern van zijn theorie stelt hij dat er een hiërarchie van basisbehoeften is, waarbij aan de lagere fysiologische behoeften moet zijn voldaan, voordat de hogere psychologische behoeften relevant worden.
Maslow.jpg
Ieder mens heeft zijn eigen behoeftenpiramide.
Motivatoren en hygiënefactoren van Herzberg
In de jaren zeventig brengt Herzberg verfijningen aan in de behoeftenpiramide van Maslow.
De factoren die leiden tot meer tevredenheid noemde Herzberg satisfiers of motivatoren.
Factoren die leiden tot meer ontevredenheid noemde hij dissatisfiers of hygiënefactoren.
Het kenmerk van motivatoren is dat ze in hoge mate tot tevredenheid kunnen leiden.
De vijf motivatoren die Herzberg benoemde zijn:
· succes, prestaties kunnen leveren
· erkenning
· het werk zelf, de aard van het werk
· verantwoordelijkheid
· vooruitgang, carrière, promotie
Het kenmerk van hygiënefactoren is dat ze wel snel kunnen leiden tot ontevredenheid, maar nauwelijks tot tevredenheid. Ook al zijn de hygiënefactoren uitstekend, dan nog zullen zij nauwelijks leiden tot positieve beïnvloeding van de werknemer. Daarvoor zijn ze te vanzelfsprekend voor de gemiddelde werknemer. Maar ze zijn zo vanzelfsprekend dat hun afwezigheid leidt tot grote ontevredenheid.
De vijf belangrijkste hygiënefactoren zijn:
· geldende algemene voorschriften
· wijze van leidinggeven
· verhouding met de chef of baas
· werkomstandigheden
· salaris, loon e.d.
In feite zijn motivatoren aan te merken als zogeheten werkinhoudelijke factoren. Het gaat hier om wat een persoon doet gedurende zijn werk. Deze motivatoren kunnen mensen aanzetten tot het leveren van betere prestaties.
Hygiënische factoren zijn werkintrinsieke factoren. Hier gaat het niet om wát iemand gedurende zijn werk doet, maar om de omstandigheden waarónder iemand zijn werk doet. De gedachte van Herzberg is nu dat, als aan de hygiënefactoren voldoende aandacht gegeven is, dan pas de motivatoren effectief mensen kunnen aanzetten tot betere prestaties. In feite wil dit zeggen dat mensen pas gemotiveerd kunnen worden als aan bepaalde basisvoorwaarden is voldaan.
Het verschil tussen Herzberg en Maslow is dat Herzberg beweert dat hygiënische factoren mensen nauwelijks kunnen motiveren, terwijl Maslow wil zeggen dat hygiënische factoren nog steeds belangrijke motivatoren zijn, ook al kunnen ze, als ze in orde zijn, op de achtergrond raken.
4. Eigenschapdenkers
Kenmerkend voor deze groep denkers zijn o.a. Miller en McClelland die constateerden dat sommige dieperliggende eigenschappen van mensen (prestatie, macht, hechting en vermijding) bepalend zijn voor hun motivatie. Succesvol gedrag kan niet worden geleerd als niet over de juiste eigenschappen wordt beschikt.
Een eigenschapsdenker gaat volgens Vinke uit van ‘dit is mijn talent en geef mij passend werk’ en niet ‘dit is blijkbaar de klus, wat heb ik daarvoor nodig om succesvol te zijn?’.
5. Procesdenkers
Oerdenkers, ordeningsdenkers en eigenschapdenkers gaan uit van min of meer stabiele situaties.
Bij de procesdenkers gaat het echter juist om de motivationele aspecten bij verandering.
De twee belangrijkste exponenten van deze school van denken zijn de verwachtingstheorie van Vroom en de billijkheidstheorie van Adams.
Verwachtingstheorie van Vroom
De verwachtingstheorie van Vroom is gebaseerd op drie factoren:
· Succesverwachting: zal het mij lukken om mijn doel te bereiken?
· Instrumentaliteit van het gedrag: levert het gedrag een beloning op?
· Valentie van de beloning: hoe waardevol vind ik de beloning?
Motivatie is in dit geval: E x I x V = Expectancy x Instrumentaliteit x Valentie.
Is een van deze factoren nul, dan ontbreekt de motivatie om een bepaald doel na te streven.
Porter en Lawler voegden later nog een tweetal aspecten aan het model toe. Zij stelden dat de vaardigheden die iemand bezit om het gekozen gedragsalternatief uit te voeren van invloed is op motivatie, als ook de invloed van de taakopvatting van de betrokkene en wijze waarop taakstellingen met de leidinggevende zijn overeengekomen.
In onderstaand figuur wordt het motivatiemodel van Vroom, Porter en Lawler gecombineerd weergegeven.
Motivatiemodel Vroom, Porter en Lawler.j
De verwachtingstheorie moedigt managers aan vragen te stellen over de factoren waardoor individuele werknemers worden gemotiveerd. Gezocht moet worden naar een optimale aansluiting tussen de verwachtingen van het individu en de aard van de arbeidssituatie. Vooral het verband tussen inspanning, prestatie en beloning moet daarbij helpen.
Billijkheidstheorie van Adams
De vergelijkingstheorie van Adams gaat ervan uit dat een individu geneigd is om eenzelfde evenwicht tussen inspanningen en opbrengsten na te streven zoals hij dat bij anderen ook lijkt waar te nemen.
Uitwisselingsprocessen tussen een individu en een organisatie spelen zich niet in het luchtledige af, maar vinden plaats in een context waar ook anderen bij betrokken zijn en waar mensen zichzelf mee gaan vergelijken.
Het zogenaamde psychologische contract is gebaseerd op deze theorie.
6. Gedragsdenkers
Bij deze groep denkers worden mensen gemotiveerd door hun streven naar waardering. De goal setting theory van Locke en Latham en de behavior modification theory van Skinner zijn hier goede voorbeelden van.
Goal setting theory van Locke en Latham
De goal setting theory van Locke en Latham is gebaseerd op het uitgangspunt dat doelen met specifieke karakteristieken belangrijk zijn om goed gemotiveerde medewerkers te hebben en te houden.
Goalsettingtheorie van Locke en Latham.j
Met betrekking tot doelen stellen Locke en Latham:
· Moeilijke, maar haalbare doelen leiden tot betere prestaties dan eenvoudige doelen;
· Doelen moeten specifiek zijn en niet algemeen;
· Kennis van resultaten (feedback), tijdens en na het werk, zijn van belang om de motivatie in stand te houden;
· Waarderingssystemen, zoals beoordelings- en beloningssystemen, zijn van invloed op de tevredenheid van de medewerker met zijn of haar prestatie, maar hebben nauwelijks invloed op het prestatieniveau zelf.
Behavior modification theory van Skinner
Skinner heeft zijn behavior modification theory gebaseerd op laboratoriumexperimenten met duiven en ratten. Uitgangspunt is dat lonend gedrag wordt herhaald en niet-lonend gedrag gemeden. Uit de experimenten blijkt dat een vorm van partiële bekrachtiging de sterkste gedragseffecten heeft. Bekrachtiging werkt het sterkst bij een kans van 50% op beloning.
7. Taakdenkers
Deze leggen de nadruk op de innerlijkheid van mensen.
O.a. het begrip intrinsieke motivatie voor het verrichten van werk komt eruit voort. Deci’s cognitieve evaluatietheorie en het taakkenmerkenmodel van Hackman & Oldman zijn illustratief voor deze opvatting over motivatie.
Cognitieve evaluatietheorie van Deci
Kernaspecten van de cognitieve evaluatietheorie van Deci zijn:
· medewerkers streven er naar competent en vaardig te zijn;
· medewerkers willen zelfbepalend zijn;
· medewerkers zoeken informatie die de waargenomen autonomie en competentie bevestigt.
Taakkenmerkenmodel van Hackman en Oldham
Kernaspecten van Hackman & Oldham zijn:
· zorg voor taakvariatie, taakidentiteit, taakbelangrijkheid, autonomie en feedback;
· realiseer de best passende kritieke psychologische toestand van de taak;
· resultaten zijn te boeken ten aanzien van werkmotivatie, groeitevredenheid, werktevredenheid en werkeffectiviteit.
8. Algemene opmerkingen motivatietheorieën
Het is in de theorievorming rondom motivatie tot op heden niet gelukt om delen van één of enkele theorie(ën) adequaat te verbinden met (delen van) andere, zodat een nieuw, samenhangend inzicht in motivatie ontstaat.
Wanneer motivatie gebruikt wordt als een managementinstrument dan zal men rekening moeten houden met de individuele bepaaldheid van motivators.
Bovendien kunnen persoonlijke voorkeuren veranderen omdat de behoeftepatronen veranderen. Denk hierbij aan het stijgen van de leeftijd, met veranderingen in de thuissituatie, met genoten opleidingen of met reeds aanwezige verworvenheden die de persoonlijke aspiraties hebben verzadigd. De kernvraag blijft steeds, wat een werknemer (on)belangrijk vindt in de werksituatie ter (de)stimulering van zijn motivationele inzet. Theorieën en modellen daarover kunnen behulpzaam zijn om de potentiële belangrijkheid van gedragsgenerende waarden te erkennen. Kiest men voor een collectieve aanpak dan is het noodzakelijk te weten welke waarden in de desbetreffende praktijk bewezen hebben voor vele medewerkers motivationele waarde te hebben.
Bronnen:
· Vinke, R., Zoeken naar intrinsieke motivatie, Reed Business, 2004, pag. 35, 48, 54-55, 57-58
· Tissen, R. J., et al, Motivatie in de kenniseconomie: impasse door gebrek aan passie?, Tijdschrift voor HRM (1), 2005
· Landsberg, M., De TAO van motivatie, inspireer uzelf en anderen, Academic Services, 1999, pag. 64-65
· Franzen, G., Wat drijft ons?, Lemma, Utrecht, 2004, pag. 63
· Ham, M., De Manager, Reed Business Information, Den Haag, 2003, pag. 58-60
· Kluytmans, F., Leerboek personeelsmanagement, Wolters Noordhoff, Houten, 2005, pag. 244-248
· Moor, de, W., Arbeidsmotivatie als managementinstrument, Bohn Stafleu van Loghum, 1998, pag. 30-3
Een blog voor leerkrachten in het PO, VO en het MBO over persoonlijke kracht, creativiteit en lesgeven.
Posts tonen met het label passend onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label passend onderwijs. Alle posts tonen
maandag 13 januari 2014
Over motivatie
Labels:
motivatie,
onderwijsbehoeften,
passend onderwijs
zondag 1 september 2013
Adaptief Onderwijs, passend onderwijs, inclusief onderwijs WAT IS HET NU?
Bij ieder boek dat wordt gepubliceerd of iedere presentatie van de laatste goeroe komen weer nieuwe woorden en nieuwe definities ons vakgebied in. Sommige begrippen sterven snel uit en anderen blijven langer bestaan. Die zijn blijkbaar bruikbaarder. Natuurlijk gebruik ik ook mijn eigen setje begrippen. In dit stukje beschrijf ik een aantal WERKdefinities van begrippen ik in de praktijk vaak tegen kom. Het gaat om:
- Adaptief onderwijs
- Inclusief onderwijs
- Passend Onderwijs
Ik noem het werkdefinities omdat ik niet volledig (en waarschijnlijk ook niet helemaal juist) ben in de omschrijving van deze begrippen, maar ik kan er in de praktijk perfect mee vooruit.
Adaptief onderwijs
Adaptief onderwijs is een visie op de manier waarop je met de leerlingen werkt in de klas. Een visie op je werkwijze dus. Het uitgangspunt van deze visie is is dat de docent zijn handelen baseert op de onderwijskundige behoeften van de leerling. Wanneer er een goede match is tussen datgene wat de docent aanbiedt de behoeften van de leerling, zal de leerling zich prettig voelen en optimaal presteren. Het is dus een motivatiemodel.
De heer Stevens heeft deze visie uitgewerkt.
De leerling staat centraal. De onderwijskundige behoeften van de leerling zijn onder te verdelen in drie groepen:
1. behoefte aan zelf zaken kunnen beslissen
2. behoefte aan zich competent voelen
3. Behoefte aan een goede/veilige relatie
De docent creëert een omgeving zodat aan deze drie behoeften kan worden voldaan. De docent creëert daarom uitdagende taken die leerlingen uit kunnen proberen en tegelijkertijd neemt hij voldoende maatregelen om er voor te zorgen dat leerlingen op een veilige basis terug kunnen vallen.
meer info:www.vorsite.nl/content/bestanden/blok_2004_01.pdf
Inclusief Onderwijs
Inclusief onderwijs is een visie op de rechten die kinderen hebben t.a.v. hun ontwikkeling. Bij inclusief onderwijs gaat men er van uit dat het reguliere onderwijs zo is ingericht dat kinderen ongeacht hun beperkingen daar aan deel kunnen nemen (Het beginsel van gelijke behandeling). Dat is goed voor de kinderen met een beperking omdat ze zo in de samenleving blijven staan en dat is goed voor kinderen zonder beperking omdat ze leren omgaan met andere mensen.
Deze rechten zijn omschreven in artikel 24 van het VN-Verdrag voor de Rechten van de Mens, wat ook de Nederlandse regering getekend heeft.
Meer info:http://nl.wikipedia.org/wiki/Inclusief_onderwijs
Passend Onderwijs
Passend onderwijs is een reeks politieke maatregelen die door de tweede kamer in 2012 genomen zijn en die betrekking hebben op een deel van de inrichting (organisatie) van het onderwijs in Nederland. De beslissingen hebben voornamelijk betrekking op het proberen te regelen dat Nederlandse scholen sneller, goedkoper en beter hun onderwijs afstemmen op onderwijsbehoeften van leerlingen en op leerlingen met bijzondere onderwijsbehoeften in het bijzonder.
Deze politieke maatregelen ingegeven door twee achterliggende gedachten:
1. Men denkt te kunnen bezuinigen omdat men denkt dat het relatief dure speciaal onderwijs kan worden afgeschaft. Daarnaast is het geld voor extra begeleiding (de omvang) in het reguliere onderwijs beschikbaar is met ongeveer een kwart verminderd.
2. De zeggenschap over de verdeling van het geld t.b.v. begeleiding is gedecentraliseerd en bij de samenwerkingsverbanden terechtgekomen. Verder hebben de scholen hebben een zorgplicht gekregen. De gedachte is dat deze combinatie van plicht voor het bieden van zorg en tegelijkertijd de vrijheid over de invulling ervan, scholen sneller en en beter met een passend aanbod voor de leerling zullen komen.
Meer info:www.passendonderwijs.nl/
Samenhang
Ik denk dat als je het ideaal van inclusief onderwijs (regulier onderwijs dat alle kinderen kan opvangen) wilt bereiken, je je werkwijze moet baseren op de ideeën die bekend staan onder adaptief onderwijs. Passend onderwijs is een reeks politieke beslissingen waarbij het ideaal Inclusief Onderwijs en de werkwijze van passend onderwijs worden gepromoot om te komen tot kostenverlaging (bezuinigingen) en tegelijkertijd proberen niet teveel draagvlak te verliezen bij degene die bang zijn dat de bezuinigingen ten koste gaan van de kwaliteit.
- Adaptief onderwijs
- Inclusief onderwijs
- Passend Onderwijs
Ik noem het werkdefinities omdat ik niet volledig (en waarschijnlijk ook niet helemaal juist) ben in de omschrijving van deze begrippen, maar ik kan er in de praktijk perfect mee vooruit.
Adaptief onderwijs
Adaptief onderwijs is een visie op de manier waarop je met de leerlingen werkt in de klas. Een visie op je werkwijze dus. Het uitgangspunt van deze visie is is dat de docent zijn handelen baseert op de onderwijskundige behoeften van de leerling. Wanneer er een goede match is tussen datgene wat de docent aanbiedt de behoeften van de leerling, zal de leerling zich prettig voelen en optimaal presteren. Het is dus een motivatiemodel.
De heer Stevens heeft deze visie uitgewerkt.

De leerling staat centraal. De onderwijskundige behoeften van de leerling zijn onder te verdelen in drie groepen:
1. behoefte aan zelf zaken kunnen beslissen
2. behoefte aan zich competent voelen
3. Behoefte aan een goede/veilige relatie
De docent creëert een omgeving zodat aan deze drie behoeften kan worden voldaan. De docent creëert daarom uitdagende taken die leerlingen uit kunnen proberen en tegelijkertijd neemt hij voldoende maatregelen om er voor te zorgen dat leerlingen op een veilige basis terug kunnen vallen.
meer info:www.vorsite.nl/content/bestanden/blok_2004_01.pdf
Inclusief Onderwijs
Inclusief onderwijs is een visie op de rechten die kinderen hebben t.a.v. hun ontwikkeling. Bij inclusief onderwijs gaat men er van uit dat het reguliere onderwijs zo is ingericht dat kinderen ongeacht hun beperkingen daar aan deel kunnen nemen (Het beginsel van gelijke behandeling). Dat is goed voor de kinderen met een beperking omdat ze zo in de samenleving blijven staan en dat is goed voor kinderen zonder beperking omdat ze leren omgaan met andere mensen.
Deze rechten zijn omschreven in artikel 24 van het VN-Verdrag voor de Rechten van de Mens, wat ook de Nederlandse regering getekend heeft.
Meer info:http://nl.wikipedia.org/wiki/Inclusief_onderwijs
Passend Onderwijs
Passend onderwijs is een reeks politieke maatregelen die door de tweede kamer in 2012 genomen zijn en die betrekking hebben op een deel van de inrichting (organisatie) van het onderwijs in Nederland. De beslissingen hebben voornamelijk betrekking op het proberen te regelen dat Nederlandse scholen sneller, goedkoper en beter hun onderwijs afstemmen op onderwijsbehoeften van leerlingen en op leerlingen met bijzondere onderwijsbehoeften in het bijzonder.
Deze politieke maatregelen ingegeven door twee achterliggende gedachten:
1. Men denkt te kunnen bezuinigen omdat men denkt dat het relatief dure speciaal onderwijs kan worden afgeschaft. Daarnaast is het geld voor extra begeleiding (de omvang) in het reguliere onderwijs beschikbaar is met ongeveer een kwart verminderd.
2. De zeggenschap over de verdeling van het geld t.b.v. begeleiding is gedecentraliseerd en bij de samenwerkingsverbanden terechtgekomen. Verder hebben de scholen hebben een zorgplicht gekregen. De gedachte is dat deze combinatie van plicht voor het bieden van zorg en tegelijkertijd de vrijheid over de invulling ervan, scholen sneller en en beter met een passend aanbod voor de leerling zullen komen.
Meer info:www.passendonderwijs.nl/
Samenhang
Ik denk dat als je het ideaal van inclusief onderwijs (regulier onderwijs dat alle kinderen kan opvangen) wilt bereiken, je je werkwijze moet baseren op de ideeën die bekend staan onder adaptief onderwijs. Passend onderwijs is een reeks politieke beslissingen waarbij het ideaal Inclusief Onderwijs en de werkwijze van passend onderwijs worden gepromoot om te komen tot kostenverlaging (bezuinigingen) en tegelijkertijd proberen niet teveel draagvlak te verliezen bij degene die bang zijn dat de bezuinigingen ten koste gaan van de kwaliteit.
Abonneren op:
Posts (Atom)